Trap

Basis van de trap en zijn varianten is dat de duiven van de schutter af bewegen en dat deze variabel vliegen, maar wel in een bepaald gebied. Afhankelijk van de variant van trap staan er tussen de 1 en 15 machines opgesteld, worden enkele duiven of doubletten aangeboden en is de opstelling wat anders. De afstanden en vliegsnelheden variëren steeds.

De machines zijn in een put of op de grond opgesteld en bewegen continu in horizontale en verticale richting. Dit betekent dat men nooit exact weet in welke richting de duiven geworpen worden. Hierdoor krijgt elke schutter een ‘unieke’ duif aangeboden. Het vlieggebied van de duif is natuurlijk wel begrensd. Globaal 45 graden naar links en naar rechts, en in verticale zin tussen de 1,5 en 3,5 meter gemeten op 10 meter van de machines.

De schutters staan, afhankelijk van de variant, op vijf posten ongeveer op 11 of 15 meter achter de machine opgesteld. Duiven mogen tweemaal beschoten worden. Voor de score maakt het niet uit met welk schot de duif geraakt is. Trap wordt officieel geschoten met rottes van 6 schutters. De eerste vijf schutters bemannen de schietposten en de zesde draait in. De schutters roepen om beurten hun duif af. Wanneer de schutter op post 5 geschoten heeft, schuiven alle schutters een post op. Dit gaat zo door tot alle schutters op 25 duiven geschoten hebben.

Meest bekende varianten binnen de trapdiscipline zijn Olympic trap, ball trap, Sporting trap, automatic trap en double trap.

Bij de Olympische disciplines trap en double trap staan er voor iedere schietpost drie machines opgesteld, dus 15 in totaal. Zoals de naam al suggereert, worden bij double trap uitsluitend doubletten geschoten. De doubletten bestaan uit een hogere en lagere duif in dezelfde richting.

Bij Ball trap (staat opgesteld bij Baerlebosch) staat er slechts één machine opgesteld.

Verdere variatie is dat er soms geschouderd geschoten mag worden en soms mag er pas geschouderd worden als de duif in zicht is. De kolf dient dan tegen het lichaam onder de ISFF streep (ongeveer 25 cm onder de schouder) gehouden te worden.

Verder is opvallend dat bij verplaatsingen tussen de schietposten 1 tot 5 (let op: niet van post 5 naar post 1) de patronen in het gebroken wapen mogen blijven.